Redactieprofs | Taalkwesties
166
archive,category,category-taalkwesties,category-166,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode-child-theme-ver-1.0.0,qode-theme-ver-11.2,qode-theme-bridge,wpb-js-composer js-comp-ver-6.7.0,vc_responsive

Niet alle Amsterdammers rijden op een bakfiets. Of maken gebruik van de Stadspas. Wat dat te maken heeft met inclusief communiceren, leerde ik in het webinar ‘Diverse samenleving vraagt om inclusieve communicatie, hoe dan?’ van Direct Duidelijk.

B1-taal gebruikt, toegankelijkheidscriteria toegepast: check check check, allemaal groene vinkjes. Vanuit de zender kan aan alle voorwaarden voor inclusief communiceren zijn voldaan, maar is dat voldoende om je doelgroepen te bereiken? Niet in een gedigitaliseerde samenleving waarin een deel van je doelgroep over onvoldoende vaardigheden/mogelijkheden beschikt om daarin mee te gaan, betoogt Lidwien van de Wijngaert (Radboud Universiteit) in het webinar. 

Zij onderzocht op verzoek van de gemeente Amsterdam waarom lang niet iedereen die er recht op heeft, gebruik maakt van de Stadspas. In het webinar geeft ze een even simpel als doeltreffend advies: zorg altijd voor een ‘communicatievangnet’. Wie niet over voldoende digitale vaardigheden beschikt, moet telefonisch of aan de balie geholpen kunnen worden, anders schiet je je communicatiedoel voorbij.

Beeldvorming

Hanneke Velten (Kennisplatform Integratie en Samenleving) gaat in het webinar in op de rol van onbewuste beeldvorming. Iedereen maakt onbewuste associaties, legt ze uit; stereotypering is onontkoombaar. Maar we moeten ons er wél bewust van worden, want stereotypering is een grote voorspeller van discriminatie.

Bakfiets

Velten heeft twee gouden tips die ik in mijn oren knoop. De eerste: “Accepteer dat het soms schuurt. Realiseer je dat het voor iedereen een leerproces is; je mag hierop leren en elkaar aanspreken.” De tweede: vermijd ook de ‘ontkenning’ van een stereotype. “De krantenkop ‘Niet alle Amsterdammers rijden op een bakfiets’ laat ons brein toch weer de connectie maken met het stereotype beeld. En dat blijft hangen”, verklaart ze.

Misschien dat ik daarom gecharmeerd was van de tijdschriften-advertentie die ik laatst tegenkwam, met een groep portretten van lezers. Elk van hun had een blad in de hand waarvan zijzelf duidelijk niet de beoogde ‘persona’ (excusez le mot) waren. Een jonge vrouw met een Autoweek, een oudere man met een Libelle. Dat trekt mijn aandacht, juist omdát het mijn eigen onbewuste beeldvorming doorbreekt en daar iets verfrissends tegenover zet.

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem 
ploem ploem 
dag stoel naast de tafel 
dag brood op de tafel 
dag visserke-vis

Onzin?

Tijdens mijn studie Nederlands werd het gedicht ‘Marc groet ’s morgens de dingen’van Paul van Ostaijen in de collegezaal besproken en ik weet nog dat ik daar mijn aandacht niet bij kon houden. Ik vond het een onzingedicht. Pas toen ik een kind kreeg, begreep ik het beter. Dit gedicht laat, voor mij althans, zien hoe een kind in de wereld loopt, hoe hij zich verhoudt tot alles om hem heen. Het maakt niet uit wie of wat het is, voor het kind is alles warm en levend en de moeite waard om een band mee te hebben. Dat kinderlijk begroeten is zo’n respectvolle omgang met alles wat er is, dat het verheven mag worden tot kunst.

Soortnamen en eigennamen

Toen ik via mijn man de wereld van de natuurliefhebbers leerde kennen, ontdekte ik ook iets kinderlijks: ecologen schrijven de namen van planten en dieren met een hoofdletter en zonder lidwoord. Paardenbloem, Kievit, Veldlathyrus, Kleine Vos. Als tekstschrijver gingen mijn haren meteen overeind staan. Mag niet! Hoort niet! Soortnamen moeten met een kleine letter! Maar nu denk ik: dit is eigenlijk een heel goed idee! Want door van een soortnaam een eigennaam te maken, ga je je anders verhouden tot alles wat er om je heen leeft. Door iemand bij naam te noemen, bestaat die persoon voor je. Door zijn of haar naam te kennen en uit te spreken, erken je diegene in zijn bestaan, zijn identiteit. Zo bezien is het eigenlijk heel mooi en ook nuttig om dieren en planten bij hun naam te noemen en om die naam met een hoofdletter te schrijven. Want dat schept een band, dat maakt dat dieren en planten wat op een voetstuk worden gezet, of om bij het gedicht van Paul van Ostaijen te blijven: de mens komt op dezelfde hoogte te staan als de rest van de natuur.

Zorg voor de natuur

Afgelopen zomer liepen mijn man en ik door de Yerseke Moer, een natuurgebied op Zuid-Beveland, waar op het eerste gezicht niet veel te beleven valt. Vanaf de weg zie je een groene vlakte met wat slootjes, maar als je erin loopt, gaat er een wereld voor je open. En als je vervolgens een kijker pakt, zie je zoveel dat je de dingen kunt gaan groeten: dag Tureluur, dag Kluut, Scholekster, Boerenzwaluw. Alles wordt dan anders in die saaie Moer. Groeten doet leven.

Je zou het eens moeten doen, bij jou thuis, in de tuin. Een vogeltje, een plantje bij de naam noemen en groeten: wedden dat het helpt? Dat je meer gaat ‘voelen’ voor al die levende wezens om ons heen? Dan kom je er vast ook achter dat je van sommige planten en beestjes de naam niet weet. En als je dat dan opzoekt, met die geweldige app ObsIdentify bijvoorbeeld, zoek dan meteen ook op wat dat vogeltje of insect, die boom, of dat plantje nodig heeft om een fijn leven te kunnen leiden. De zorg voor de natuur – en dat lijkt mij in tijden van natuurschaarste geen overbodige luxe – is veel beter vol te houden als je je kennis van de natuur uitbreidt. Als je weet wat een paardenbloem, pardon, Paardenbloem doet voor de bodem en hoeveel insecten van haar afhankelijk zijn, dan groet je haar en stel je het maaien van je gazon een keertje uit. En als Mus drie jongen heeft in Haagbeuk, dan loop je er zachtjes langs en zeg je: Dag Mus, dag kleintjes! En dan huil je als blijkt dat op een dag Haagbeuk met nest en al is omgehakt omdat de camper van de buren een eigen parkeerplaats moest krijgen.

De natuur gaat Redactieprof Theanne aan het hart. Ze schreef er een kinderboek over: Kleur je wereld groen. Geen kopzorgen over wanneer wel of niet een hoofdletter, en teksten die lezers ‘voelen’? Redactieprofs staan voor je klaar.

Haakjes in je tekst. Wanneer gebruik je ze, en wanneer kun je beter komma’s of gedachtestreepjes gebruiken. Redactieprof Jos dook erin en trok enkele (soms stoffige) boeken uit de kast om je te vertellen hoe het zit.

Een van mijn favoriete bezigheden als tekstschrijver is het redigeren van teksten. Ik poets regelmatig jaarverslagen, subsidieaanvragen en rapporten op. Vaak geschreven door auteurs met respectabele inhoudelijke kennis, maar met wat minder taalkundige en redactionele bagage. Daar zijn Redactieprofs dan weer goed in.

Haakjes bij meerdere mogelijkheden

Tijdens een recente redactieklus viel mij het gebruik van haakjes in de tekst op (ook wel parentheses genoemd). Ik werd getriggerd toen ik las dat bestuurders bij elkaar kwamen voor ‘(in)formeel overleg’. Een van de toepassingen van haakjes is dat meerdere mogelijkheden worden aangegeven. Bijvoorbeeld als bij een vacature staat dat ervaring gevraagd wordt bij een ‘(semi)overheidsbedrijf’. Bij een overheidsbedrijf of een semioverheidsbedrijf dus.

In het geval van (in)formeel overleg vond ik de haakjes wat vreemd. Overleg is formeel of informeel, meer smaken zijn er niet. Ik besloot het hele woord te schrappen. ‘De bestuurders komen bij elkaar voor overleg.’ En ondertussen was mijn belangstelling gewekt. Ik had een haakje om iets te schrijven over haakjes.

Zes functies van haakjes

Als ik iets wil weten over taalzaken, is de Schrijfwijzer van Jan Renkema meestal mijn eerste zoekplaats. Hij onderscheidt zes functies van de haakjes.

  1. Voor een verklaring of toevoeging
  2. Voor een verwijzing
  3. In de betekenis ‘of’ (zoals het (semi-)overheidsbedrijf)
  4. Voor de introductie van een afkorting
  5. In literatuuropgaven
  6. Als netnummeraanduiding

Bron: Jan Renkema (2002), Schrijfwijzer (p.368).

Een toepassing die Renkema niet noemt is het gebruik van haakjes en puntjes (…) als een deel van een citaat is weggelaten.

Haakje, komma of gedachtestreep

Haakjes worden soms gelijkgesteld met komma’s of gedachtestreepjes. Haakjes geven duidelijker dan komma’s aan dat de informatie minder belangrijk is of binnen de context niet relevant. Gedachtestreepjes kunnen die functie ook hebben.

Bijvoorbeeld:

De koning (zijn baard lijkt steeds grijzer te worden) neemt plaats op de troon (die vanwege corona vanuit de Ridderzaal naar de Grote Kerk is verplaatst) om de troonrede voor te lezen.

Je zou hier dus ook voor gedachtestreepjes kunnen kiezen:

De koning – zijn baard lijkt steeds grijzer te worden – neemt plaats op de troon – die vanwege corona vanuit de Ridderzaal naar de Grote Kerk is verplaatst – om de troonrede voor te lezen.

In de zin hierboven zaaien de gedachtestreepjes overigens de nodige verwarring, omdat je (anders dan bij haakjes) niet goed kunt zien wat het begin is van de toevoeging en wat het einde.

Gedachtestreepjes geven soms een terzijde aan, maar soms ook het tegendeel, schrijft Henriëtte Houët (Grammaticagids Nederlands, 1990). Kijk maar eens naar deze zin die zij als voorbeeld geeft:

Je kunt – mits je rekening houdt met de gevaren – gaan.

Hier leggen de gedachtestreepjes juist de nadruk op het zinsdeel dat ze begrenzen.

Niet te veel haakjes

Wim Daniëls waarschuwt in de ‘Gids voor de eindredacteur’ (2002): “U moet er als eindredacteur (…) op toezien dat er niet te veel haakjes in een tekst staan. Sommige auteurs willen al hun invallen kwijt. De vele haakjes die ze daarvoor gebruiken, verminderen vaak de leesbaarheid.”

Mijn ervaring is net als Wim Daniëls dat sommige schrijvers haakjes gebruiken omdat ze te veel kwijt willen in een zin of nog niet goed hebben bedacht wat ze eigenlijk willen zeggen. Vaak werkt het dan beter om de informatie die tussen haakjes staat op te nemen in een aparte zin of om met de auteur te overleggen of de informatie niet helemaal geschrapt kan worden.

Van Kooten en de Bie tussen haakjes

Tussen haakjes, het onderzoek naar haakjes deed mij denken aan een stukje van Kees van Kooten (die op 10 augustus 80 werd) en Wim de Bie op ‘De tweede langspeelplaat van het Simplisties Verbond’. Een hilarisch gesprek tussen twee radiopresentatoren van wie er een het programma ‘Tussen Haakjes’ presenteert. “Een programma dat de dingen, tussen aanhalingstekens dan, tussen haakjes zet en de puntjes op de i.”

Het zijn deze taaldingetjes die mij veel plezier verschaffen. Ik hoop dat jij als lezer iets hebt aan deze informatie. En dat je nog niet bent afgehaakt.  

Redactieprofs redigeren teksten. Wil je je rapport, (jaar)verslag of een ander document taalkundig en redactioneel helemaal op orde hebben, neem dan contact op. We helpen je graag.

Wist je dat op Mark Rutte’s rapporten vroeger stond dat hij ‘andere kinderen afleidde’? Dat Jesse Klaver heel verlegen was voordat hij een podiumtijger werd? En dat Geert Wilders niks in zijn haar doet, behalve bleek? Ik niet, totdat ik afgelopen woensdag – de avond na het stemmen – op verzoek van mijn zoons de NOS Jeugdjournaal ‘Verkiezingen’-special terugkeek. Geweldig! De lijsttrekkers van de zes grootste partijen vertelden kinderen in de studio op speelse wijze over hun standpunten. Weet je wat mij nog het meest opviel? Hoe ze praatten en zich gedroegen. Menselijk, duidelijk en zelfs grappig. Wát een verademing!

Het begon meteen goed

Daar zaten ze. Wopke, Jesse, Sigrid, Geert, Lilian en Mark. Tsja, het zijn ook maar gewoon mensen, dus ik noem ze even bij hun voornaam. Mooi op een rijtje met transparante schermen tussen hen in. Het begon al meteen goed met kinderfoto’s van de zes lijsttrekkers. Wopke buiten op een tractor (‘ik hield van voetballen en veel buiten zijn’), Jesse verlegen de camera in kijkend (nog geen krullen), Sigrid met een ondeugende blik (‘toen al’), Geert, een schattig blond manneke (‘ook ik was ooit braaf’), Lilian, een vrolijke meid (niks veranderd) en een jonge Mark die voor zich uitstaarde. Hahaha, iedereen lachen om en met elkaar – de toon was gezet!

Hot news

Presentatoren Joris en Milou maakten er een ontspannen uitzending van. Waar nodig wezen ze de lijsttrekkers op lichtvoetige manier op een aandachtspuntje: ‘Wat bedoel je daar precies mee?’ of lachend: ‘Maak nou eens een keuze!’. De lijsttrekkers mochten een korte spreekbeurt houden, staken ja/nee-bordjes op bij stellingen, kregen eens/oneens-spandoeken, deden in duo’s een lollige quiz (Lilian en Mark; ‘Alsof je Feyenoord en Ajax samen laat spelen!’) en beantwoordden vragen van de kinderen. We leerden dat Geerts grootste angst is dat hij dierbaren verliest, Lilian is geen ochtendmens, Mark en Jesse praten altijd door anderen heen in de Kamer, Sigrid spreekt zes talen en Wopke is een sportman. 

Het. Is. Mogelijk. 

Het allermooist vond ik hoe duidelijk de lijsttrekkers spraken en hoe menselijk ze zich gedroegen. Ze gebruikten heldere taal, niveau groep acht zodat de kinderen in de studio het begrepen. Ze waren vriendelijk naar de kinderen én naar elkaar toe. Er was veel lol onderling: knipoogje hier, box daar (op het transparante tussenscherm natuurlijk). Het. Is. Dus. Mogelijk! Ik vond het een feestje. 

Vriendelijke én duidelijke taal lezen of schrijven, volgens mij wil iedereen dat wel. Mis je vaardigheden, tijd of kennis? Redactieprofs staan klaar! 

Gratis webinar van een uurtje!

Denk jij bij ‘eenvoudige taal’ meteen aan B1? Op donderdag 1 april is er van 10:00 – 11:00 uur een gratis webinar over de zin en onzin van B1. Een evenement van de Direct Duidelijk Tour. Zo’n initiatief kan ik alleen maar steunen. Bij deze! 

Redactieprof Cindy studeerde (lang geleden) af bij prof. dr. Carel Jansen, taal- en communicatiewetenschapper en een van de gasten tijdens het webinar. Zij is nog steeds groot fan van hem. 

Ik ben niet zo van de hij/zij. Vooral omdat ik het zo ‘lelijk’ vind staan. En omdat ik ervan uitga dat iedereen (m/v) toch wel weet dat het om mannen én vrouwen gaat. Mis! Genderneutraal taalgebruik schiet zijn doel voorbij als er alleen mannelijke voornaamwoorden worden gebruikt, bewijst psycholinguïst Theresa Redl. Redactieprofs geven genderneutrale alternatieven (die ik vanaf nu ook ga toepassen).

Genderneutraal taalgebruik
Theresa Redl van de Radboud Universiteit en het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek in Nijmegen onderzocht of lezers snappen dat zinnen zoals ‘Wat kost een student? En wat levert hij op?’ genderneutraal moeten worden opgevat. Want we vinden dominantie van mannen ook in taal steeds minder wenselijk. Zo gaf het Europees Parlement in 2018 een richtsnoer uit voor genderneutraal taalgebruik omdat het genderstereotypering vermindert, sociale verandering teweegbrengt en voor meer gendergelijkheid zorgt.

Mannelijke voornaamwoorden ook voor vrouwen
Redl onderzocht voor haar promotie de werking van die richtlijnen. Ze wilde weten hoe snel lezers het begrijpen als met mannelijke voornaamwoorden zowel mannen als vrouwen worden aangeduid. Bij proeven volgde een camera de oogbewegingen van de lezer. Vooral de mannen haperden bij het gebruik van het bezittelijk voornaamwoord ‘zijn’ voor vrouwen. Vrouwen hebben volgens het onderzoek geen aantoonbare moeite met ‘zijn’. Redl vermoedt dat meisjes al vroeg gedwongen worden daar een neutrale betekenis aan te geven: anders gaan teksten namelijk nooit over hen.

Iedereen en mensen
Bij gebruik van het persoonlijk voornaamwoord ‘hij’ (zoals in de zin ‘Als een leerling honger heeft, kan hij naar de eetzaal’) kostte het zowel mannen als vrouwen meer moeite te begrijpen dat de zin zowel op mannen als op vrouwen kan slaan. Redls onderzoek bewijst dat ‘hij’ en ‘zijn’ niet als neutraal, maar vooral als mannelijk worden opgevat. Door dergelijk mannelijk taalgebruik als vanzelfsprekend te beschouwen, sluit je iedereen uit, behalve mannen. En dat willen we niet (meer).
Ik ben overtuigd en zet mijn argument van ‘mooi’ of ‘lelijk’ overboord. Want meisjes en vrouwen tellen en doen mee (Bron: de Volkskrant).

Hieronder neutrale oplossingen van Redactieprofs:
Jos vindt, net als schrijfster dezes, hij/zij in teksten stom. Ook daarom volgt hij de formele regel: “Mannelijke woorden zijn ‘hij’, vrouwelijke zijn ‘zij’. De lezer is mannelijk, dus gebruik ik ‘hij’. Taalregels gaan hierbij voor mij boven politieke correctheid. Vaak probeer ik het wel te omzeilen door het onderwerp in meervoud te zetten.”

Marleen en Jeroen vertonen vermijdgedrag door te kiezen voor de meervoudsvorm. Dat leest sowieso prettiger dan drie keer in een zin hij/zij en zijn/haar te moeten gebruiken. Jeroen: “Ik heb nu geen moeite meer met hij/zij. Maar dan liefst wel hij of zij (of zij of hij?) en niet zo’n lelijke /-teken.”

Marleen is zich hyperbewust van de (non-)sekse; ze redigeert momenteel teksten voor transgenders. “Daarin worden veel medische beroepen genoemd, met genderneutrale benamingen als chirurg en arts. Ik verwijs dan zo weinig mogelijk met ‘hij/zij’; ik vermijd verwijzingen waar het kan en anders gebruik ik deze/die. Bijvoorbeeld: “U overlegt daarover met de arts. Die geeft u ook het recept mee.”  Soms vindt Marleen het leuk om te spelen met onbewuste aannames, zoals: de chirurg is een meneer, tenzij wordt benadrukt dat zij een vrouw is. Zo denken we nog steeds, merk ik altijd weer als ik iets vertel over mijn tandarts of mijn makelaar.”

Tom worstelt met genderneutraal schrijven in vacatureteksten. “Een stagiair is een man en een stagiaire een vrouw. Dus ik gebruik stagiair(e) of vermijd het door abstracter te spreken over een ‘stageplaats’. Daartegenover heb ik het idee dat spreken van een administratief medewerkster of een schrijfster ouderwets is, medewerker of schrijver is inmiddels gewoon unisex. Het verschilt dus nog heel erg per functie of er al een ingeburgerde genderneutrale variant is. Het scheelt wel dat discrimineren op geslacht niet meer mag in vacatures, dus kiezen tussen man of vrouw is in het algemeen niet aan de orde.”

Over de vacature voor de monteur/montrice schreef ik al eerder een blog.

Hulp nodig met het ontseksen van tekst? Vraag een Redactieprof!

Deze zomer ben ik onder de naam Cindy Schrijft 5 jaar zelfstandig bezig als tekstschrijver en communicatieadviseur. Nadat ik in totaal 17 jaar bij bureaus werkte. Hoe noem je dat eigenlijk, een vijfjarig jubileum? Blik, hout of plastic, las ik. Dan ga ik voor het hout. Als ik nu eens voor elk ‘houten’ jaar een tip of ervaring deel? Hier komen ze, in willekeurige volgorde.

1. Schrijftip: schrijven is schrappen

Bijna altijd kun je de eerste zinnen die je op papier (scherm) zet, achteraf schrappen. Het zijn de opstart-zinnen, de nadenk-zinnen, de zinnen waarmee je zelf in het verhaal komt. Soms kan zelfs die hele eerste alinea gewoon hoppakee weg! Probeer het maar eens. En lees je teksten als ze voor je gevoel rond zijn, nog één keer kritisch door op woordjes of hele zinnen die weg kunnen. Ik ben op dit moment interviews aan het uitwerken tot verhalen van maximaal 1.000 woorden. Er is steeds zoveel te vertellen! Dus ik zit er in eerste instantie standaard overheen. Het is bijna een sport om ze daarna tóch in te dikken. En ja, de teksten worden er steevast sterker van. Kill your darlings.

2. Interviewtip: live of telefonisch?

Aan heel veel teksten die ik voor opdrachtgevers schrijf, liggen interviews ten grondslag. Nu zou je denken dat een face to face gesprek de voorkeur heeft. Elkaar in de ogen kunnen kijken, de mimiek zien bij bepaalde uitspraken, het informele praatje achteraf waar je vaak ook nog nuttige informatie uit haalt. Het is gewoon een stuk persoonlijker. Dat klopt allemaal! 

Toch wil ik een lans breken voor het telefonische interview. Dus ook geen Skype of Zoom of Teams. Omdat ik telkens weer merk hoe open mensen praten wanneer je ze aan de lijn hebt. Mensen zoeken een rustig plekje op om te bellen, maken het zich comfortabel, hoeven zich niet ‘beter’ voor te doen en praten meer vrijuit is mijn ervaring. Regelmatig spreek ik iemand tijdens een autorit – even los van de standaard werkcontext. Ook fijn: een belletje is vaak flexibeler in te plannen. 

3. Taaltip: die eeuwige d/t-kwestie

‘Houdt anderhalve meter afstand.’ ‘Houdt je alsjeblieft anderhalve meter afstand?’ Het zijn de twee meest voorkomende d/t-fouten die ik tegenkom in teksten. Het moet zijn: ‘Houd anderhalve meter afstand’ en ‘Houd je alsjeblieft anderhalve meter afstand?’. Daarom hét ezelsbruggetje voor iedereen die dit lastig vindt: vervang het werkwoord door een ander werkwoord. Je zegt bijvoorbeeld ook: ‘Geef anderhalve meter afstand’, of ‘Geef je alsjeblieft anderhalve meter afstand?’ Zonder ‘t’ dus. Eigenlijk is het heel simpel…

4. Gesprekstip: de kracht van LSD

Geen LSD-trip maar een LSD-tip in de betekenis van: Luisteren, Samenvatten, Doorvragen. Echt luisteren is een basisvoorwaarde voor elk goed gesprek. Het dóórvragen is een kunst die iedere ervaren tekstschrijver beheerst. De stap daartussen, het samenvatten, zou ik hier eens extra in de kijker willen zetten. Je kunt je afvragen: ‘Is dat niet wat overdreven? Om de woorden van de ander nog eens te gaan herhalen?’ Toch merk ik telkens weer dat mensen het heel erg waarderen. Als interviewer of gespreksleider laat je – samengevat in je eigen woorden – zien dat je echt begrijpt wat de ander zojuist verteld heeft. Je kunt dat een paar keer tijdens het gesprek doen. Helemaal aan het einde vat ik regelmatig de rode draad nog eens samen. Vaak is dat (achteraf) meteen de ruggengraat van mijn tekst. En het leidt vaak tot mooie laatste ingevingen! ‘O ja, wat trouwens nog leuk is om ook te vertellen…’.      

5. Netwerktip: clubjesangst niet nodig

Van mijn 5 jaar zelfstandig ondernemerschap ben ik nu 3 jaar lid van Redactieprofs, netwerk van zelfstandig tekstschrijvers en communicatieprofessionals. Naast mijn Cindy Schrijft-werk voor eigen opdrachtgevers, werken we regelmatig samen. Aan grote klussen bijvoorbeeld, zoals het magazine dat ik samen met Jeroen en Helene maakte. Opdrachtgevers zijn blij dat er altijd een back-up beschikbaar is. Past een bepaalde tekstproductie niet bij mij (of niet in mijn planning), dan heb ik nog zeven collega-profs. We delen kennis en hebben lol tijdens onze samenwerkdagen. Kortom: 1 + 1 = 3 wordt hier wat mij betreft 1 + 7 = 10. Een netwerk moet bij je passen en ik heb er eerst ook goed over nagedacht. Maar heb je eenmaal ‘het juiste clubje’ gevonden, dan levert het veel moois op. 

Op naar 10 jaar Cindy Schrijft, zojuist geleerd: mijn ‘kristallen, stalen, tinnen of rozen’ jubileum. En nog vele mooie jaren bij Redactieprofs. 

Dit blog is toekomstgericht. Het is nu november, maar we gaan direct door naar december. Sinterklaas slaan we over, met al dat zwartepietendiscussiegedoe, en hup direct doorrrrrrrrr naar Kerstmis. Met hoofdletter K. Die hoofdletters zorgen voor hoofdbrekens. Krijg je een Kerstcadeau met Kerstmis, of ga je gezellig naar een kerstborrel op tweede kerstdag?

Groene boekje, Witte Boekje

Ik zal uitleggen hoe het zit met die hoofdletters. Maar eerst moet je iets anders weten. Taalgekken zoals ik zoeken vaak woorden op om zeker te zijn van de correcte spelling. Daarvoor gebruik ik Het Groene Boekje, de officiële Woordenlijst Nederlandse Taal (met zes hoofdletters, mind you). Dat verscheen in 2005, bij de meest recente spellingsherziening. Toen waren veel mensen zo verontwaardigd over de nieuwe regels, dat ze besloten die niet of niet allemaal te volgen. Zo ontstond het Witte Boekje, de alternatieve spelling. De opvolger daarvan heet Spellingwijzer Onze Taal.

Als tekstschrijvers verplichten we ons te schrijven volgens de geldende spellingregels van het Groene Boekje. Daarin staat over hoofdletters: namen van officiële feestdagen schrijven we met een hoofdletter (regel 16.L op pagina 105). Dus: Bevrijdingsdag, Suikerfeest, Chanoeka, Pasen en Pinksteren (nooit op één dag), en dus ook: Kerstmis.

Maar de samenstellingen met die woorden schrijf je met een kleine letter: kerstcadeau, kerstwens, kerstdag. Dus Kerstmis bestaat uit kerstavond, eerste kerstdag en tweede kerstdag (het Groene Boekje is hier strenger dan het Witte Boekje, daarin zijn Eerste Kerstdag en Tweede Kerstdag ook goed). Tijdens Kerstmis vieren we het kerstfeest en zingen we kerstliedjes. Wie geluk heeft, krijgt een kerstcadeau. Van wie? Van de Kerstman! Want Kerstman is de eigennaam van een uniek persoon, net als Sinterklaas. En namen schrijf je met een hoofdletter.

Speciaal geval: de voorgedrukte kerstkaart

Straks maken we massaal gebruik van de voorgedrukte kerstkaart. Heb je daar wel eens goed naar gekeken? Alle variaties komen voorbij:

Prettige Kerstdagen en een Gelukkig Nieuwjaar (2 fouten)

prettige kerstdagen en een gelukkig nieuwjaar (1 fout)

Prettige Kerstdagen en een gelukkig nieuwjaar (2 fouten)

Prettige kerstdagen en een gelukkig Nieuwjaar (0 fout)

Dit alles volgens de regels van Het Groene Boekje. Onze Taal denkt er anders over. Hoe dan ook, je moet maar zo denken: toch goed bedoeld, zo’n kaart. Word je zelf depressief van de hoofdletters? Dan is er nog altijd gelegenheid genoeg jezelf een stuk in de kraag te drinken bij het sinterklaasfeest, de kerstborrel, tijdens oudjaarsavond. Of met Nieuwjaar bij de nieuwjaarsreceptie.

Santé en proost!  En alvast een fijne kerst en een foutloos 2020 gewenst!

Met je zakelijke e-mails wil je efficiënt, klantvriendelijk, beleefd en professioneel overkomen. Hoe? Ga back to the basics met deze 7 tips voor goede zakelijke mails.

Eerst even een anekdote die ik ooit ergens las. Tijdens een buitenlands congres zetten eens een man en een vrouw, beiden getrouwd (maar niet met elkaar), flink de bloemetjes buiten. Toen het congres was afgelopen en iedereen weer thuis was, stuurde de vrouw haar geheime lover nog een mailtje. Waarin ze, haar hoofd nog vol van de romantische belevenissen, verslag deed van de fantastische avond en de spannende nacht. Inclusief alle kinky details. Ze verstuurde de mail als antwoord op een eerder mailbericht uit de congresmailgroep. Handig hoor, met één muisklik ….en de reply-allknop. Oepsie!

Nou, uitkijken dus als je zakelijk mailt. Doe je voordeel met deze 7 tips voor tiptop verzorgde zakelijke e-mails.

 1          Geachte, Beste of Hallo?
Een zakelijke mail is hetzelfde als een zakelijke brief.
Begin zakelijke mails dus met: Geachte mevrouw, of: Geachte heer De Vries. Beste Jan of Dag Ingrid mag ook, als je de ontvanger goed kent en tutoyeert.
Beter niet: Hallo Piet (te plat en te informeel) of Beste mevr. Jansen (afkortingen in de aanhef, daarmee laat je zien dat je de lezer niet serieus neemt, want je doet weinig moeite). 

2          Groetjes!?
Onderteken je mail (net als een brief) met: Met vriendelijke groet of Met vriendelijke groeten. Met hartelijke groeten kan ook. Zet je contactgegevens eronder (maar geen ellenlange bedrijfsboodschap, nergens voor nodig).
Beter niet: Groetjes (te informeel), M vr gr of gr. Gn fkrtngn! Zie tip 1 laatste zin. Zelf denk ik altijd als iemand Gr schrijft: ben je boos?

3        Gebruik de onderwerpregel. Schrijf hierin kort en krachtig waar de mail over gaat. Gebruik je een oude mail bij een nieuw onderwerp? Vergeet niet de onderwerpregel aan te passen. Anders loop je het risico dat mensen de mail niet eens openen.

4          Pas op met reply all en bcc. Bij reply all laat je iedereen weten wat je antwoordt, meestal is dat alleen maar lastig voor de anderen. Bcc (blind carbon copy) kan leiden tot verdeel-en-heerspolitiek en het draagt niet bij aan openheid of een transparante bedrijfscultuur.

5          Check de mail ALTIJD vóór je hem verzendt. Is de boodschap duidelijk? Niks vergeten? Spelling en formulering in orde? De juiste geadresseerden geselecteerd?

 6         Mail nooit als je geïrriteerd of boos bent. Een geschreven tekst kan veel botter, harder of vervelender overkomen dan een gesproken tekst. Boze mails maken de zaak vaak erger dan hij is. Gebruik zakelijke mail voor informatie, vragen stellen, bevestigen van een afspraak, als begeleidende tekst bij een bijlage, etc. Gaat het om slecht nieuws of gevoelige informatie? Dan kun je beter bellen of kiezen voor een face-to-facegesprek.

7         Schoon op die sliert. Het komt rommelig over als de hele eerdere correspondentie als een lange sliert onderaan je bericht hangt. Weg ermee.