Redactieprofs | Schrijftips
124
archive,category,category-schrijftips,category-124,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode-child-theme-ver-1.0.0,qode-theme-ver-11.2,qode-theme-bridge,wpb-js-composer js-comp-ver-6.9.0,vc_responsive

‘Pas op met uitroeptekens, daar wordt je tekst zo schreeuwerig van!’, geef ik bij menig redigeerklus mee als feedback. Toch kan ik het niet laten hier zelf een uitroepteken achter te plaatsen. Het heeft iets stelligs, ik noem het niet zomaar, ik benadruk het.

In een e-mail of appje hoef je het uitroepteken niet te schuwen, daar zijn de meeste Redactieprofs het over eens. In een verzoek ‘Graag jouw reactie/akkoord!’, een compliment ‘Ziet er goed uit zo!’ of een bedankjeWe zijn blij met u als klant!’ geeft het uitroepteken lucht aan je bericht.

In andere gevallen verschillen de meningen. Ik vroeg mijn collega-profs naar hun standpunt. Hoe staan zij erin?

Schreeuw niet zo
Cindy is bij zakelijke teksten geen fan van het uitroepteken. “Hoe minder, hoe beter. En zeker niet meerdere keren per alinea, daar wordt de tekst inderdaad nogal schreeuwerig van.” Jeroen voegt journalistieke teksten toe aan het rijtje. Zo min mogelijk. “Er kan er eens eentje voorkomen in een artikel als iemand echt de geest heeft gekregen. Maar als er meer uitroeptekens in een artikel staan, wordt het al snel hysterisch.”

Net als ik, voelt Helene meer voor het uitroepteken. Ze gebruikt het graag om de lezer te overtuigen en te laten zien hoe enthousiast haar interviewkandidaat is. “Het is vaak een mooi grafisch gebaar om een stuk mee af te sluiten, een nog duidelijkere punt achter mijn verhaal te zetten.”

“Zo mag het wel!”
Bij quotes hoef je minder spaarzaam te zijn, aldus Cindy. “Als ik iemand heb geïnterviewd die echt mega enthousiast is, laat ik dat in uitspraken weleens terugkomen in de vorm van een uitroepteken.” Bijvoorbeeld: ‘Ik heb het enorm naar mijn zin in dit team. Ze zijn voorlopig nog niet van mij af!’ Een alternatief is: ‘Ik heb het enorm naar mijn zin in dit team.’ Lachend: ‘Ze zijn voorlopig nog niet van mij af.’ Als lezer proef je door de toevoeging ‘lachend’ het enthousiasme, waardoor het uitroepteken achterwege kan blijven.

Marleen kan zich helemaal vinden in deze ‘show, don’t tell’ aanpak. Ze vermijdt uitroeptekens zo veel mogelijk, om een geforceerd jubeltoontje te vermijden. Al moet je dan weer oppassen met de woorden die je gebruikt. Als je in plaats van het uitroepteken te vaak het woord ‘enthousiast’ gebruikt, wordt de jubeltoon geen snars minder. “Kijk daarmee uit!”

Naast het jubel-uitroepteken heb je ook nog het boze uitroepteken. Die hebben wij als tekstschrijvers gelukkig zelden nodig, die kunnen we met een gerust hart aan z’n zielige lot overlaten op de boze uithoeken van social media. Het waarschuwings-uitroepteken is daarentegen wél nuttig. Dan is het een snel, fel teken dat onze aandacht opeist om ons ergens voor te behoeden. Precies de bedoeling. 

Suske en Wiske
Dan rest nog de vraag, UITROEPEN IN HOOFDLETTERS, trippeluitroepteken (!!!) of een combinatie van vraag- en uitroepteken, kan dat?! ‘Dat is iets voor Suske en Wiske’, oppert Jeroen. Daar sluit ik me volledig bij aan, Jeroen!

Belangrijker dan onze persoonlijke voorkeur, is de stijl van de opdrachtgever, de lezer en het medium waarvoor je schrijft. Op zoek naar een iemand die schrijft in jouw taal? Bel een Redactieprof.

Redactieprofs zitten zelden verlegen om woorden. Toch kunnen ook zij een keer vastlopen. Writer’s block of schrijversblokkade: hoe kom je er vanaf? Ik vroeg mijn collega-tekstschrijvers hoe ze ermee omgaan. Met deze zes tips tik je zo weer verder.

1. Creëer structuur met een mindmap
Soms is een beetje structuur alles wat je nodig hebt om (weer) op gang te komen. Een mindmap kan helpen: zet je ideeën op papier en vind verbanden. Zo krijgt je verhaal al vorm voordat je naar een lege pagina hoeft te staren. Leef je uit, denk groot. Jos zweert voor zijn mindmaps bij A3-papier.

2. Reken af met afleiding
Telefoon uit, mailbox uit zicht en de eierwekker op 60 minuten. Een uurtje me, myself and I doet wonderen voor Helene. Zonder afleiding is ontblocken zo gepiept. En als het echt niet lukt, wijkt ze uit naar familie in Noord-Brabant of Limburg. Vooral om schrijfkilometers te maken bij grote projecten werkt dit heel fijn.

3. Slaap er een nachtje over
Gebrek aan inspiratie is vaak tijdelijk. Vandaag uren overpeinzen staat meestal gelijk aan een paar minuten werk de volgende morgen. Marleen en Jos kiezen optie twee en laten hun tekstonderwerp graag een nachtje doorsudderen in het achterhoofd, waarna alles de volgende dag zo op z’n plek valt.

4. Zoek de natuur op
Geen tijd om er een nachtje over te tukken? Een rondje lopen doet ook wonderen. De afstand tot je bureau kan helpen bij het leggen van de puzzel. Bovendien stimuleert groen het creatieve brein. Prof Jeroen pakt graag de racefiets en trapt zijn block opzij.

5. Gewoon dóórgaan
Voorbarig perfectionisme remt de productiviteit. Bij een (naderend) schrijversblok denkt Sasja na over wat haar het meest raakt in een verhaal. Dat schrijft ze op. Ze begint in het midden en schrijft eromheen. Ook Marleen en Theanne beginnen gewoon, zonder meteen te willen structureren of stileren. Een rijtje trefwoorden, de beste citaten en betekenisvolle passages brengen de schrijfdrift zo op gang. Jeroen sluit zich hier helemaal bij aan en schreef een blog over de kracht van doorgaan.

6. Uit de box, uit je block
Theanne leerde op een cursus scenarioschrijven dat je uit een writer’s block kan komen door out of the box te denken. Dat oefende ze met het boekje ‘The Writers Block’, van John Rekulak. Daarin lees je dingen als: ‘Schrijf over je favoriete kinderspeelgoed, ‘Neem een voorwerp als personage’ en ‘Bedenk welk geheim jouw personage heeft’. Er staan ook ‘spark words’ in, zoals ‘schuld’, ‘verslaafd’ of ‘overspel’ en foto’s van een heel oud autootje, spoorbomen of een spin. Om goeie ideeën te krijgen, pakt Theanne dit boekje er nog weleens bij. Werkt voor haar ook prima bij non-fictie!

Bel een Redactieprof

Liever je tekstwerk uit handen geven of advies nodig bij het schrijven? Je mag altijd contact met ons opnemen. We helpen graag!

Dit is een lang blog (500 woorden) over korte tekst. Hoe kun je veel bereiken met weinig woorden? 

Wat moeten we met al die tekst in de huidige beeldcultuur? Nou… een heleboel. Teksten publiceren is gevonden (SEO), gelezen en begrepen worden – allemaal voorwaarden om je producten en diensten voor het voetlicht te krijgen. Dat vraagt om een korte en krachtige verwoording van je boodschap.

Korte tekst is niet alleen op internet van belang. Mensen hebben nu eenmaal weinig tijd en veel afleiding. Of je nu van beeldscherm leest of van papier, je wilt graag snel weten of het relevant voor je is, waar het over gaat, waar je vindt wat je zoekt of wat je moet doen. Dat geldt voor elke website, handleiding, brochure, corporate story of advertentie.

Woord en beeld

Niet alles heeft taal nodig. Zeker niet. Woord en beeld kunnen elkaar enorm versterken. Als tekstschrijvers denken we daar graag over mee. We weten hoe je informatie omzet in een goede infographic en hoe fotografie de boodschap kan benadrukken. We zetten verhalende elementen naast grafieken met cijfers, verduidelijken verbanden en processen in stroomschema’s, maken fotobijschriften die écht iets toevoegen en zetten typografie in om visueel onderscheid te maken tussen verschillende soorten informatie. Zo komen we samen met vormgevers, fotografen en illustratoren tot krachtige producties, waarin tekst en beeld een uitgebalanceerd geheel vormen.

Weinig tekst, veel effect

In een korte tekst moet je met weinig woorden heel veel voor elkaar kunnen krijgen: 

(1) Allereerst moet je de aandacht trekken van de beoogde lezers. Zij moeten meteen zien of de tekst voor hen van belang is, of ze er iets aan hebben, ze moeten geprikkeld zijn om door te lezen. 

(2) Vervolgens moeten ze begrijpen wat er staat, overtuigd worden van het belang van de boodschap, en 

(3) geactiveerd worden om er iets mee te doen.

Taalbeheersers noemen dat tekstfuncties. Veelvoorkomende tekstfuncties zijn interesseren (voor de betreffende communicatieboodschap), informeren (over alles wat relevant is voor die boodschap) en motiveren (om contact op te nemen, een bestelling te plaatsen, een formulier in te vullen et cetera). In de reclamewereld wordt daarvoor de AIDA-formule gebruikt: Attention, Interest, Desire, Action. Een klassieker, die sinds 1925 nog net zo min aan waarde heeft ingeboet als, pakweg, de uitvinding van het toetsenbord.

Kort is niet snel

Over klassiekers gesproken – ‘Iets wat kort is uitgedrukt, is veelal de vrucht van lang nadenken’, schreef de filosoof Nietzsche ruim een eeuw voor de uitvinding van de zoekmachines. Het is een wijdverbreid misverstand dat een korte tekst minder tijd kost dan een lange tekst (een schrijver per woord betalen is dan ook onzinnig). Vaak is het tegendeel waar. Pas als ik voldoende informatie heb verzameld, kan ik tot de kern komen. En om iets kernachtig te verwoorden, moet ik keuzes maken, verbanden expliciteren, schrappen en darlings killen. Kort is niet snel. Althans, als we het over kwaliteit hebben. Dus: graag weinig tekst voor je website, brochure of nieuwsbrief? Laten we daar eens goed voor gaan zitten. 

Lees ook mijn kortste blog ooit:

https://redactieprofs.nl/waarom-tekstschrijvers-hoofdletters-vermijden/

Meer over korte tekst:

Deze 7 schrijftips mag je direct vergeten

Infographics: hoe zet je ze goed in?

Hoe schrijf ik een pakkend bericht voor internet?

5 tips voor een goede column

Als tekstschrijver sta ik nogal eens in de ‘u vraagt, wij draaien’-stand. Ik schrijf wat de klant wil, met als gevolg dat ik te weinig tijd neem of overhoud om te schrijven wat ìk wil. Een column bijvoorbeeld. Plan een ochtendje vrij en schrijf er ook eens een!

De klant is koning, maar jij bent de keizer!” Dit advies van de directeur van een communicatiebureau herinner ik mij nog graag en vaak. Af en toe die klant op de stoep laten staan en tijd besteden aan vrij werk is een luxe die je jezelf moet gunnen. Een column is zo’n vrije vorm. Erg leuk om te doen want je kunt er zo lekker je mening in kwijt. We hebben in dit land namelijk nooit genoeg meningen, vind je ook niet? Nou, dat hebben we wel, maar een goed geformuleerde, tegendraadse, tot nadenken stemmende mening is op z’n tijd een genot. Vind ik. Maar dat is mijn mening. 

Nu verkeer ik in de luxe positie dat ik een maandelijkse column heb in een krant. Erg fijn. Dat dwingt mij om elke maand een ochtend uit te trekken voor het tikken van zeshonderd woorden die helemaal uit mijzelf komen. Maar ook als je die stok achter de deur niet hebt, kan het echt leuk en ook leerzaam zijn om eens een column te schrijven. Ik geef je vijf tips waarmee je gegarandeerd een paar uur plezier hebt. 

1. Neem als onderwerp iets wat je echt raakt. Alleen dan kun je lekker vanuit jezelf schrijven. Dan komt het uit je hart en uit je tenen en komt het ook binnen bij de lezer. Dus: wat maakt je boos, verdrietig, of waar ben je helemaal weg van? Grijp het in z’n nekvel. Overigens vind ik het een misverstand dat een column een ongezouten mening moet bevatten. Ik hou zelf erg van genuanceerd, sterker nog, ik beschouw het als mijn plicht en ik verbeeld mij dat het me daarmee toch lukt om elke maand een aardige column af te leveren.

2. Bedenk welk punt je wilt maken. Dat mag maar één punt zijn. Daar werk je in je stuk naartoe. Het focussen op dat ene punt voorkomt dat je woorden verspilt aan zijpaadjes. Bij mij komt het nog weleens voor dat ik tijdens het schrijven van punt verander. Dan ontdek ik dat ik iets waarvan ik dacht dat het bijzaak was, toch zo belangrijk vind dat ik er het hoofdpunt van maak. 

3. Schrijf mooi! Maak mooie zinnen, wissel kort en lang af en gebruik beeldende taal. Geen abstracte termen of overbodige werkwoordbergen. Geen obligate zinnetjes of uitgesleten woorden. Lekker je eigen woordkeus hanteren, het is jouw feestje, jouw taal. Door je te beperken tot die vijf- zeshonderd woorden, laat je het wel uit je hoofd om overbodige woorden op te schrijven. En daar wordt het vaak alleen maar mooier van. 

4. De eerste zin en de laatste, daar gaat het om. De insmijter en de uitsmijter. Het kan gebeuren dat de eerste zin meteen het punt aangeeft dat je wil maken. Als dat een ongehoord origineel punt is, heb je meteen de aandacht. Je kunt ook met je beginzin intrigeren door aan te sluiten bij de actualiteit, of bij een heersend gevoel. Dan krijg je je lezer ook mee, zoals ik hierboven heb geprobeerd te doen. Als je laatste zin teruggrijpt op je eerste alinea ben je wat mij betreft de bom, omdat een ronde column het lekkerst is. 

5. Geef je lezer een lekkere kluif. Stuur ‘m het bos in met een opdracht in plaats van met een kluit in het riet. Laat hem aan het eind denken: ‘Verrek, die meid heeft gelijk, zo had ik het nog niet bekeken, werk aan de winkel!’ Als je zo’n uitsmijter weet te bedenken, is dat de bekroning op je werk. 

Zin in een column? Aan de slag dan. Wees voor een paar uurtjes de keizer en zeg ff dag tegen de koning! 

Ik ben niet zo van de hij/zij. Vooral omdat ik het zo ‘lelijk’ vind staan. En omdat ik ervan uitga dat iedereen (m/v) toch wel weet dat het om mannen én vrouwen gaat. Mis! Genderneutraal taalgebruik schiet zijn doel voorbij als er alleen mannelijke voornaamwoorden worden gebruikt, bewijst psycholinguïst Theresa Redl. Redactieprofs geven genderneutrale alternatieven (die ik vanaf nu ook ga toepassen).

Genderneutraal taalgebruik
Theresa Redl van de Radboud Universiteit en het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek in Nijmegen onderzocht of lezers snappen dat zinnen zoals ‘Wat kost een student? En wat levert hij op?’ genderneutraal moeten worden opgevat. Want we vinden dominantie van mannen ook in taal steeds minder wenselijk. Zo gaf het Europees Parlement in 2018 een richtsnoer uit voor genderneutraal taalgebruik omdat het genderstereotypering vermindert, sociale verandering teweegbrengt en voor meer gendergelijkheid zorgt.

Mannelijke voornaamwoorden ook voor vrouwen
Redl onderzocht voor haar promotie de werking van die richtlijnen. Ze wilde weten hoe snel lezers het begrijpen als met mannelijke voornaamwoorden zowel mannen als vrouwen worden aangeduid. Bij proeven volgde een camera de oogbewegingen van de lezer. Vooral de mannen haperden bij het gebruik van het bezittelijk voornaamwoord ‘zijn’ voor vrouwen. Vrouwen hebben volgens het onderzoek geen aantoonbare moeite met ‘zijn’. Redl vermoedt dat meisjes al vroeg gedwongen worden daar een neutrale betekenis aan te geven: anders gaan teksten namelijk nooit over hen.

Iedereen en mensen
Bij gebruik van het persoonlijk voornaamwoord ‘hij’ (zoals in de zin ‘Als een leerling honger heeft, kan hij naar de eetzaal’) kostte het zowel mannen als vrouwen meer moeite te begrijpen dat de zin zowel op mannen als op vrouwen kan slaan. Redls onderzoek bewijst dat ‘hij’ en ‘zijn’ niet als neutraal, maar vooral als mannelijk worden opgevat. Door dergelijk mannelijk taalgebruik als vanzelfsprekend te beschouwen, sluit je iedereen uit, behalve mannen. En dat willen we niet (meer).
Ik ben overtuigd en zet mijn argument van ‘mooi’ of ‘lelijk’ overboord. Want meisjes en vrouwen tellen en doen mee (Bron: de Volkskrant).

Hieronder neutrale oplossingen van Redactieprofs:
Jos vindt, net als schrijfster dezes, hij/zij in teksten stom. Ook daarom volgt hij de formele regel: “Mannelijke woorden zijn ‘hij’, vrouwelijke zijn ‘zij’. De lezer is mannelijk, dus gebruik ik ‘hij’. Taalregels gaan hierbij voor mij boven politieke correctheid. Vaak probeer ik het wel te omzeilen door het onderwerp in meervoud te zetten.”

Marleen en Jeroen vertonen vermijdgedrag door te kiezen voor de meervoudsvorm. Dat leest sowieso prettiger dan drie keer in een zin hij/zij en zijn/haar te moeten gebruiken. Jeroen: “Ik heb nu geen moeite meer met hij/zij. Maar dan liefst wel hij of zij (of zij of hij?) en niet zo’n lelijke /-teken.”

Marleen is zich hyperbewust van de (non-)sekse; ze redigeert momenteel teksten voor transgenders. “Daarin worden veel medische beroepen genoemd, met genderneutrale benamingen als chirurg en arts. Ik verwijs dan zo weinig mogelijk met ‘hij/zij’; ik vermijd verwijzingen waar het kan en anders gebruik ik deze/die. Bijvoorbeeld: “U overlegt daarover met de arts. Die geeft u ook het recept mee.”  Soms vindt Marleen het leuk om te spelen met onbewuste aannames, zoals: de chirurg is een meneer, tenzij wordt benadrukt dat zij een vrouw is. Zo denken we nog steeds, merk ik altijd weer als ik iets vertel over mijn tandarts of mijn makelaar.”

Tom worstelt met genderneutraal schrijven in vacatureteksten. “Een stagiair is een man en een stagiaire een vrouw. Dus ik gebruik stagiair(e) of vermijd het door abstracter te spreken over een ‘stageplaats’. Daartegenover heb ik het idee dat spreken van een administratief medewerkster of een schrijfster ouderwets is, medewerker of schrijver is inmiddels gewoon unisex. Het verschilt dus nog heel erg per functie of er al een ingeburgerde genderneutrale variant is. Het scheelt wel dat discrimineren op geslacht niet meer mag in vacatures, dus kiezen tussen man of vrouw is in het algemeen niet aan de orde.”

Over de vacature voor de monteur/montrice schreef ik al eerder een blog.

Hulp nodig met het ontseksen van tekst? Vraag een Redactieprof!

Net als jij besteed ik gruwelijk veel tijd aan digitale apparaten. Alleen al op mijn Mac schrijf ik, communiceer ik met klanten, collega’s en vrienden, bestel ik dingen, lees ik nieuws, kijk ik voetbal… Doordat ik zóveel op één apparaat doe, loopt alles door elkaar, raak ik overprikkeld en vind ik het moeilijk om grip te houden op mijn gedachten. 

Natuurlijk zijn er manieren voor om de controle terug te vinden. Lees: The Organized Mind van Deniel Levitin, over hoe je helder blijft denken in dit tijdperk van informatieoverload. Maar er is in ieder geval één truc die ik je van harte kan aanbevelen: keer terug naar papier.  

Schaf een mooi notitieboek aan

Of neem een A3-vel. Of een schetsboek. Met papier aan de keukentafel – zonder digitale distractie – komt er weer lijn in mijn gedachten. Daar laat ik ze de vrije loop, ontstaat flow van een verhaal, maak ik lijstjes voor van alles en ontworstel ik me als ik ben vastgelopen. Daar raak ik gefocust en ben ik creatiever. 

Het toetsenbord voert vervolgens uit wat ik heb bedacht. Maar dan is het echte werk al gedaan.

Deze zomer ben ik onder de naam Cindy Schrijft 5 jaar zelfstandig bezig als tekstschrijver en communicatieadviseur. Nadat ik in totaal 17 jaar bij bureaus werkte. Hoe noem je dat eigenlijk, een vijfjarig jubileum? Blik, hout of plastic, las ik. Dan ga ik voor het hout. Als ik nu eens voor elk ‘houten’ jaar een tip of ervaring deel? Hier komen ze, in willekeurige volgorde.

1. Schrijftip: schrijven is schrappen

Bijna altijd kun je de eerste zinnen die je op papier (scherm) zet, achteraf schrappen. Het zijn de opstart-zinnen, de nadenk-zinnen, de zinnen waarmee je zelf in het verhaal komt. Soms kan zelfs die hele eerste alinea gewoon hoppakee weg! Probeer het maar eens. En lees je teksten als ze voor je gevoel rond zijn, nog één keer kritisch door op woordjes of hele zinnen die weg kunnen. Ik ben op dit moment interviews aan het uitwerken tot verhalen van maximaal 1.000 woorden. Er is steeds zoveel te vertellen! Dus ik zit er in eerste instantie standaard overheen. Het is bijna een sport om ze daarna tóch in te dikken. En ja, de teksten worden er steevast sterker van. Kill your darlings.

2. Interviewtip: live of telefonisch?

Aan heel veel teksten die ik voor opdrachtgevers schrijf, liggen interviews ten grondslag. Nu zou je denken dat een face to face gesprek de voorkeur heeft. Elkaar in de ogen kunnen kijken, de mimiek zien bij bepaalde uitspraken, het informele praatje achteraf waar je vaak ook nog nuttige informatie uit haalt. Het is gewoon een stuk persoonlijker. Dat klopt allemaal! 

Toch wil ik een lans breken voor het telefonische interview. Dus ook geen Skype of Zoom of Teams. Omdat ik telkens weer merk hoe open mensen praten wanneer je ze aan de lijn hebt. Mensen zoeken een rustig plekje op om te bellen, maken het zich comfortabel, hoeven zich niet ‘beter’ voor te doen en praten meer vrijuit is mijn ervaring. Regelmatig spreek ik iemand tijdens een autorit – even los van de standaard werkcontext. Ook fijn: een belletje is vaak flexibeler in te plannen. 

3. Taaltip: die eeuwige d/t-kwestie

‘Houdt anderhalve meter afstand.’ ‘Houdt je alsjeblieft anderhalve meter afstand?’ Het zijn de twee meest voorkomende d/t-fouten die ik tegenkom in teksten. Het moet zijn: ‘Houd anderhalve meter afstand’ en ‘Houd je alsjeblieft anderhalve meter afstand?’. Daarom hét ezelsbruggetje voor iedereen die dit lastig vindt: vervang het werkwoord door een ander werkwoord. Je zegt bijvoorbeeld ook: ‘Geef anderhalve meter afstand’, of ‘Geef je alsjeblieft anderhalve meter afstand?’ Zonder ‘t’ dus. Eigenlijk is het heel simpel…

4. Gesprekstip: de kracht van LSD

Geen LSD-trip maar een LSD-tip in de betekenis van: Luisteren, Samenvatten, Doorvragen. Echt luisteren is een basisvoorwaarde voor elk goed gesprek. Het dóórvragen is een kunst die iedere ervaren tekstschrijver beheerst. De stap daartussen, het samenvatten, zou ik hier eens extra in de kijker willen zetten. Je kunt je afvragen: ‘Is dat niet wat overdreven? Om de woorden van de ander nog eens te gaan herhalen?’ Toch merk ik telkens weer dat mensen het heel erg waarderen. Als interviewer of gespreksleider laat je – samengevat in je eigen woorden – zien dat je echt begrijpt wat de ander zojuist verteld heeft. Je kunt dat een paar keer tijdens het gesprek doen. Helemaal aan het einde vat ik regelmatig de rode draad nog eens samen. Vaak is dat (achteraf) meteen de ruggengraat van mijn tekst. En het leidt vaak tot mooie laatste ingevingen! ‘O ja, wat trouwens nog leuk is om ook te vertellen…’.      

5. Netwerktip: clubjesangst niet nodig

Van mijn 5 jaar zelfstandig ondernemerschap ben ik nu 3 jaar lid van Redactieprofs, netwerk van zelfstandig tekstschrijvers en communicatieprofessionals. Naast mijn Cindy Schrijft-werk voor eigen opdrachtgevers, werken we regelmatig samen. Aan grote klussen bijvoorbeeld, zoals het magazine dat ik samen met Jeroen en Helene maakte. Opdrachtgevers zijn blij dat er altijd een back-up beschikbaar is. Past een bepaalde tekstproductie niet bij mij (of niet in mijn planning), dan heb ik nog zeven collega-profs. We delen kennis en hebben lol tijdens onze samenwerkdagen. Kortom: 1 + 1 = 3 wordt hier wat mij betreft 1 + 7 = 10. Een netwerk moet bij je passen en ik heb er eerst ook goed over nagedacht. Maar heb je eenmaal ‘het juiste clubje’ gevonden, dan levert het veel moois op. 

Op naar 10 jaar Cindy Schrijft, zojuist geleerd: mijn ‘kristallen, stalen, tinnen of rozen’ jubileum. En nog vele mooie jaren bij Redactieprofs. 

‘Houd afstand.’ We lezen het overal op ramen en deuren. Niet gezellig, wel duidelijk. Maar kan het ook anders? Jawel! Deze communicatielessen leerde ik van een beveiliger, een administratief medewerker, een fietsenverkoper en een horecamedewerker.

“Wilt u uw handen reinigen en een mandje pakken?”, wijst de boekwinkelmedewerkster bij binnenkomst. De vrouw achter mij zucht en maakt rechtsomkeert. “Ik ben hier he-le-maal klaar mee”, foetert ze terwijl ze wegloopt.

Naarmate de coronacrisis langer duurt, worden lontjes korter. En dan zijn het al snel de boodschappers van het slechte nieuws die het moeten verduren: winkelpersoneel, handhavers, OV-medewerkers en noem maar op.

‘Houd afstand’. ‘Maximaal drie klanten tegelijk naar binnen.’ ‘Was je handen.’ ‘Blijf thuis.’ Het laat aan duidelijkheid niks te wensen over. Duidelijkheid is een voorwaarde voor geslaagde communicatie. Toch is er meer voor nodig om een boodschap te laten landen, zeker als het geen fijne boodschap is. Wat dacht je van deze:

Fout!

Kijk, bij zo’n boodschap haak ik dus meteen af. FOUT, zegt dit apparaat in schreeuwende hoofdletters tegen mij als ik op de knop voor de magnetronfunctie druk. Ik voel me als een klein kind op de vingers getikt en dat wekt wrevel op. Wat denkt dat ding wel helemaal? Bovendien kan ik er niks mee, want nu weet ik nog steeds niet hoe ik de magnetron dan wél aankrijg.

Herrie in de stiltecoupé

Maar zelf maak ik me ook wel eens schuldig aan het uitdelen van zo’n spreekwoordelijke tik op de vingers. Bijvoorbeeld als bellende of kletsende passagiers in een halflege trein kiezen voor de stiltecoupé, als ik daar net mijn laptop heb uitgeklapt om een deadline te halen. Met – inderdaad – wrevelige reacties als gevolg. 

Totdat ik een lesje communicatie kreeg van een Amsterdamse beveiliger, dat ik nog regelmatig met succes in praktijk breng. Hij adviseerde: “Benoem in zo’n situatie niet het ongewenste gedrag, maar de oplossing. Zeg bijvoorbeeld: ‘Als u wilt bellen, dan kan dat in de coupé hiernaast’.”

Betalingsherinnering

Vergissen is menselijk. Als er iets misgaat, wil dat helemaal niet zeggen dat er opzet in het spel is. De vergeten factuur bijvoorbeeld. Ik schaam me eerlijk gezegd altijd een beetje als ik een betalingsherinnering ontvang. Betrapt op nalatigheid! Maar als ik er zelf een moet sturen, dan laat ik me graag inspireren door deze sympathieke tekst die ik ontving van mijn Amersfoortse webbouwer. Want hier is begrip het uitgangspunt:

Bij het nalopen van onze administratie valt me op dat de betaling van onderstaande factuur nog niet is ontvangen. Daarom het verzoek om na te gaan of er inderdaad nog niet betaald is. Als er een bijzondere reden is, dan hoor ik het graag en anders wil ik je vragen zo snel mogelijk te betalen.

Betalen voor het toilet

In Nederland is het een bekend verschijnsel: je mag alleen van het toilet gebruikmaken als je ook iets koopt. Maar waarom eigenlijk? Moeten we in dit land dan werkelijk óveral aan verdienen? Deze horecaondernemer van een strandpaviljoen bij Hargen begrijpt hoe mensen denken. En geeft ze een reden om tóch met een glimlach dat muntje uit hun portemonnee te halen. 

Hier geen fietsen

Daar ga je dan met je goede gedrag. Laat je de auto thuis staan om CO2-vrij de stad in te gaan, en dan kun je je fiets nergens kwijt. Geen fietsenrek te bekennen. Overal die rode verbodsbordjes in de etalage. Behalve hier, want de uitbaters van deze Hoornse sportzaak pakken het sportiever aan. Net als jij houden ze van fietsen. En gemeenschappelijkheid schept een band. Dus die mensen doe je graag een plezier.

Rookvrij

Nog één voorbeeld tot slot. Deze komt niet ‘gewoon’ uit de praktijk, maar uit de Rookvrij-campagne. De tekst op dit bord luidt: ‘Fijn dat u hier niet rookt’. Klinkt een stuk vriendelijker dan ‘Verboden te roken’. De reden laat zich raden: in plaats van het ongewenste gedrag te verbieden, wordt het gewenste gedrag beloond. De naam van de campagne roept trouwens ook een positief gevoel op: ‘Rookvrij’ heeft een heel andere lading dan ‘Rookverbod’.

Houd afstand, maar dan anders?

Hoe kunnen deze 5 lessen inspiratie bieden voor ‘Houd afstand’, ‘Blijf thuis’ en andere coronacrisis-geboden?

1. Benadruk de oplossing:

 ‘U kunt hier veilig winkelen door gebruik te maken van de desinfectiegel en de route te volgen.’

‘Ga frisbeeën, badmintonnen, skeeleren of de bal overtrappen: spelletjes die je met weinig kinderen tegelijk kunt doen. En waarbij je makkelijk afstand kunt houden.’ 

‘Mede dankzij u is onze zorginstelling nog steeds virusvrij en zijn alle bewoners veilig. ’

‘Het vaste ommetje met de buurvrouw kun je gewoon blijven maken; praat bij op 1,5 meter afstand’.

2. Toon begrip:

‘Wachten is niet leuk. Daarom bieden we u graag een gratis kopje koffie aan.’

‘Natuurlijk wil je graag weer samen buitenspelen! Kies voor spelletjes die je met z’n tweeën of drieën kunt doen, zoals …’

‘We begrijpen dat u ernaar uitkijkt om uw naaste weer in de armen te sluiten.’

3. Benoem de redenen:

‘Het geeft u vast een veilig gevoel dat andere bezoekers:

– 1,5 meter afstand houden

– hun handen hebben gedesinfecteerd 

– de aangegeven route volgen.

Fijn als u dat ook doet!’

‘Als u hier even wacht, zijn we samen sneller van corona af’

4. Benoem de gemeenschappelijkheid

‘Alleen samen krijgen we corona onder controle’.

‘Omdat we er allemaal zo snel mogelijk vanaf willen zijn – hier je handen wassen is fijn!’ 

‘Krijgt u er ook al schoon genoeg van? Wij ook. Toch zijn we liever schoon dan ziek. Samen krijgen we corona onder controle.’ 

5. Beloon het gewenste gedrag:

‘Dankjewel voor je geduld! Bij de eerstvolgende klant die de winkel verlaat, kun jij erin.’

Heb jij een mooi voorbeeld van een positief geformuleerd gebod uit de anderhalvemetersamenleving? Vul gerust aan!

Heeft het &-teken een gebruiksaanwijzing? Met een beetje fantasie zie je dat de ampersand een ligatuur is. Oftewel, een samenstelling van de letters ‘Et’, Latijn voor ‘en’. Toch kun je niet zomaar elke en in je tekst vervangen door een &, vinden Redactieprofs.

Persoonlijk vind ik het een mooi teken. Handgeschreven al helemaal, zo’n sierlijk symbool tussen mijn vluchtige blokletterhandschrift. En ik ben niet de enige. Marleen Kamminga ziet het als een lettervariant van de muzieksleutel, “de ampersand zet de toon voor echte verbinding”. Andere schrijvers moeten niks hebben van het verbindende krabbeltje en weren de ‘&’ koste wat het kost uit hun teksten.

Hoe gebruik je & correct?

Genootschap Onze Taal is er duidelijk in: gebruik de ampersand alleen bij afkortingen en vaste woordgroepen zoals bedrijfsnamen. “Helemaal mee eens”, bevestigt Helene de Bruin. “Toen ik laatst door Rotterdam liep, zag ik het antwoord op de &-vraag op een gevel staan. Afdeling Directie & MT en Innovatie stond er. De ampersand geeft aan dat het om de afdeling Directie & MT en de afdeling Innovatie gaat. Het teken benadrukt dat juist de eerste twee woorden een groep vormen. Precies zo gebruik ik ‘&’ in mijn teksten, om twee of meer woorden beter aan elkaar te laten kleven.”

Print & online en grafische vormgeving

Toch zijn er geen officiële regels voor het &-gebruik. Theanne Boer, expert in bladproducties, kijkt het liefst kritisch mee met de vormgever. “Als het bij de rest van de opmaak past, gebruik ik de ampersand voor printmedia graag in koppen en kaders, zij het met mate.”

Bij webtekst ligt het weer anders, denkt Sasja Nicolaï. Het valt haar op dat het &-teken online royaler gebruikt wordt. Ze is er zelf niet vies van, maar ziet de ampersand liever louter in namen en grafische elementen. “In logo’s bijvoorbeeld, daar komt het stijlvolle teken tot z’n recht. In lopende tekst vind ik de ampersand vrij storend en redigeer ik hem er bijna altijd uit.”

Redactieprofs zijn het er in elk geval over eens dat je als tekstschrijver de vrijheid hebt om per tekst te bepalen of de ampersand – en andere typografie – passend is. “Voelt het goed? GEWOON DOEN!”, benadrukt Helene. En twijfelen we echt of bepaalde symbolen bij een tekst passen? Dan overleggen we dat netjes met de opdrachtgever of vormgever. U vraagt, wij schrijven!

Op zoek naar een tekstschrijver die waarde hecht aan de kleinste details? Bel een Redactieprof.

Hoe ziet een goede direct mailing er dan wel uit? Theanne geeft 7 tips.

Jawel, er zijn collega-tekstschrijvers die mij wat meewarig aankijken als ik hen vertel dat ik regelmatig een bedelbrief schrijf voor een goed doel. Bah, hoor ik ze denken: dat je je daarvoor leent. Dat je mee wil werken aan die geldklopperij, aan dat sentimentele gedoe. Of ze denken: waarom wil je een tekst schrijven die in een envelop gaat die niet wordt geopend?

Schiet net als Robin Hood met Direct Marketing in de roos. Redactieprofs helpen u graag bij het schrijven van een DM-brief of -mail
Schiet net als Robin Hood met Direct Marketing in de roos. Redactieprofs helpen u graag bij het schrijven van een DM-brief of -mail

Direct mailing

Zelf zie ik dat helemaal niet zo. Als ik bezig ben met een bedelbrief of – in vaktermen – een direct mailing, dan voel ik mij net Robin Hood: ik steel geld van de rijken en geef het aan de armen. Door het lezen van mijn brief moet de hand naar de portemonnee gaan. Die in vergelijking met de rest van de wereld bijna altijd goed gevuld is. Dat die hand daarvoor eerst naar een zakdoek grijpt om een traantje weg te pinken, vind ik niet verkeerd. Het is toch ook om te huilen hoeveel rottigheid er gaande is in talloze landen? De vraag wiens schuld dat is, is wel belangrijk, maar niet voor het schrijven van die brief: de lijdende mens moet geholpen worden en wel nu.

Doseren

Een direct mailing dus. Hoe doe je dat? Het toverwoord is: doseren. Traantjes mogen opgewekt worden, maar niet té. De lezer moet weten dat hij geld moet geven, maar hij moet niet het gevoel krijgen dat hij voor het blok gezet wordt. Het is, zo ervaar ik dat, steeds balanceren op het randje. Het randje van sentiment en het randje van dwang.

Laatst kwam er trouwens bij mij een envelop binnen die ik niet geopend heb. Dat komt omdat deze zin erop stond: “Dit meisje rekent erop dat u deze envelop opent”. Met daarnaast, je raadt het al, een foto van een aandoenlijk meisje in een gescheurde jurk dat met grote, hongerige ogen in de lens staarde. Kijk, dat was voor mij niet op, maar over het randje. Ik was blij dat ik het niet bedacht had.

In het hoofd en hart van de lezer

In fondsenwervingsland wordt veel onderzoek gedaan naar het effect van direct mailings. Er worden tests uitgevoerd met verschillende doelgroepen en vormen. Een goede DM is voer voor psychologen: je moet in het hoofd en liever nog het hart van de lezer gaan zitten om een effectieve mailing te schrijven. Er wordt weleens gedacht dat die ouderwetse bedelbrief een achterhaald concept is. Maar de kosten wegen nog altijd ruim op tegen de baten. Neem van mij aan: zolang jij ze door de brievenbus krijgt, leveren ze blijkbaar genoeg op. Open de volgende eens een keer, geniet van de tekst die net niet over dat randje gaat, strijk met je hand over je hart en ga daarna met diezelfde hand naar je portemonnee ;).

Hoe ziet een goede direct mailing er dan wel uit? Ik geef je hieronder 7 tips.

  • met stip op 1: hou het kort. De lezer heeft de envelop dan wel geopend, maar met tegenzin, ga daar maar vanuit. Dus moet hij niet een vet epistel voor zich zien, maar een paar alinea’s met zinnen die allemaal iets nieuws zeggen en die leiden naar de volgende zin.
  • in die weinig woorden moet je dus veel zeggen: je moet een verhaal vertellen (storytelling), je moet emotie oproepen, er moet urgentie in zitten en een call to action: een oproep tot geven. En dat alles in pakweg driehonderd woorden.
  • de eerste zin is cruciaal. Die bepaalt of de lezer doorleest of niet. Ik kies altijd voor een zin waardoor de lezer meteen middenin het verhaal zit òf voor een zin die aansluit bij de belevingswereld van de lezer. Ik kies ook weleens voor een schokkend feit, een gewetensvraag of een revolutionaire uitspraak maar dan moet je uitkijken voor dat randje.
  • je betoog moet antwoord geven op dè vraag van de lezer: waarom zou ik hier een cent aan geven? Het beste antwoord is: omdat jij, met die paar euro die je nu gaat overmaken, ervoor zorgt dat zij nu hun eigen problemen gaan oplossen. Zelf.
  • wat heel erg helpt is het woord ‘impact’. Vertellen dat de organisatie in het verleden resultaten heeft bereikt die, hoera, in dit geval wèl een garantie bieden voor de toekomst. De lezer van vandaag wil niet alleen emotie, hij wil ook feiten. Keiharde cijfers.
  • en dan de call to action, de oproep tot geven. Die vind ik altijd het moeilijkst, want voor je het weet, verval je in clichés. Het lekkerst is het als je in je briefing een zogeheten gift handle tegenkomt. Die ziet er bijvoorbeeld zo uit: als ik 10 euro geef, heeft dat kindje een week te eten. En als ik 25 euro geef, heeft een heel gezin een week te eten. Erg fijn als je van je klant zo’n lijstje krijgt.
  • onderzoek wijst uit dat een PS het goed doet. Zo’n herhaling onderaan de brief die de aandacht van de lezer in één keer vangt: “PS: Er wachten nog honderden kindslaven op hun bevrijding. Wie bevrijd jij?”

Hulp nodig bij het schrijven van een DM-brief of -mail? Redactieprofs staan altijd klaar voor een goede tekst!